Abdicatie
Afstand doen van de troon door een vorst(in). Sinds de invoering van de constitutionele monarchie in 1814 is dit drie keer gebeurd. In 1840 deed koning Willem I (1772-1843) afstand van de troon nadat hij met de Tweede Kamer in conflict was geraakt over door de Kamer gewenste grondwettelijke beperkingen van zijn bevoegdheden en over zijn financiële beleid. Daarnaast speelde het publieke rumoer omtrent het voornemen van de koning om in het huwelijk te treden met een katholieke gravin een rol in zijn besluit tot abdicatie. Hij werd opgevolgd door zijn zoon koning Willem II. In 1948 deed koningin Wilhelmina (1880-1962) afstand van de troon, enerzijds omdat zij teleurgesteld was over de terugkeer van de ‘oude’ politieke verhoudingen na de Tweede Wereldoorlog en anderzijds omdat zij na een regeerperiode van vijftig jaar plaats wilde maken voor haar dochter. Koningin Juliana (1909-2004) trad op haar beurt in 1980 af ten gunste van koningin Beatrix.