Algemeen kiesrecht
In de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw bestond in Nederland het zogeheten censuskiesrecht. Alleen een kleine groep rijke mannen mocht aan de verkiezingen meedoen, en wel op grond van de hoeveelheid belasting die ze betaalden. Aanvankelijk richtten de voorstanders van kiesrechtuitbreiding zich dan ook op verlaging van de census. Bij de grondwetsherziening van 1887 werd de groep kiezers uitgebreid naar personen die over bepaalde tekenen van ‘maatschappelijke welstand’ beschikten. In 1896 vond een verdere verruiming van het aantal kiesgerechtigden plaats. Mede als gevolg van de stijgende welvaart bezat in 1910 ongeveer 63 procent van de mannelijke bevolking stemrecht. In het eerste decennium van de twintigste eeuw nam de beweging voor algemeen kiesrecht sterk in kracht toe. Bij de grondwetsherziening van 1917 kreeg de gehele mannelijke bevolking kiesrecht, maar pas in 1919 werd het actief kiesrecht ook aan vrouwen toegekend. Van ‘algemeen kiesrecht’ is dus sprake sinds 1919. De eerste verkiezingen op basis van algemeen kiesrecht vonden plaats in 1922.